Home » Leerzame feiten! » Dressuur » Schouder buitenwaarts

Schouder-buitenwaarts

Een niet op de hoefslag, maar op de kwartlijn of de tweede hoefslag gereden ---> schouder-binnenwaarts met de blik naar de rand.

Zo moet het eruit zien

Het schouder-buitenwaarts is in tegenstelling tot het normale ---> schouder-binnenwaarts geen proefoefening, maar een pure trainingsoefing. Toch moet hij net zo taktzuiver en vloeiend worden gereden en moet het paard binnen gesteld en om de binnenkuit zijn gebogen. In tegenstelling tot het gebruikelijke binnen-waarts wordt hij echt niet gereden op de hoefslag met de blik naar het midden van de ring, maar op een parallelle hoefslaglijn met de blik naar de rand. Daardoor zou men hem, vooral als hij niet correct wordt uitgevoerd, op het eerste gezicht met het verwarren met het ---> wijken voor de kuit of de ---> travers. Theoretisch kan schouder-buitenwaarts in elk an de drie basisgangen worden gereden, maar heeft het meeste zin in draf. In galop kan men beter contra schouder-voor rijden.

Kenmerken

Vaardigheden

Gevorderde oefening, vaardigheden op te voeren, traint laterale beweeglijkheid en draagkracht.

- Takt                                     - Recht richten
- Ontspanning                      - Verzameling
- Aanleuning
- Schwung

Doelen van de oefening

Met schouder-buitenwaarts kan uitstekend de gelijkmatige lenigheid en de totale nageelijkheid van het paard worden getest. De oefening laat bovendien zien in hoeverre het paard op beide handen echt goed aan de buitenteugel loopt. De wat betreft lengtebuiging gemakkelijkere variant 'contra schouder-voor' is een goede oefening ter verbetering van de contragalop.

De meest gemaakte fouten

Taktverstoring, schwungverlies, weinig vlijt, te sterke stelling, weinig/geen lengtebuiging, uitwijkende achterhand, kromgetrokken in de nek.

De juiste hulpen om fouten te vermijden

Als de ruiter een schouder-buitenwaarts wil rijden, gaat hij eerst naar een lijn die parallel loopt aan de hoefslag. Dan trekt hij de tot dan toe buitenteugel, die nu de binnenste wordt, iets aan, beslast zijn nieuwe binnen-zitbeenknobbel iets meer en geeft de hand de stelling aan. De nieuwe buitenhand geeft op de juiste manier iets mee, maakt de benodigde rek in de buitenste spieren van het paard mogelijk en voorkomt dat de nek kantelt. De buitenteugel mag echter niet te ver naar voren gaan, want dan zou het paard over zijn buitenschouder uitwijken. Zodat het paard de stelling heeft aangenomen, moet de binnenhand weer 'licht' worden, zodat het binnenachterbeen niet wordt geblokkeerd, maar ver onder het zwaartepunt kan stappen en het paard aan de buitenteugel loopt.  Gelijktijdig met de gewichts- en teugelhulpen moeten de kuithulpen worden ingezet. Daartoe glijdt de nieuwe binnenkuit iets achter de singel. Hij drijft het paard voorwaarts-zijwaarts en brengt het in samenspel met de buitenkuit in de gewendste lengtebuiging. De buitenkuit drijft het achterbeen aan en stimuleert het om naar voren te stappen.
Het schouder-buitenwaarts wordt beëindigd als de ruiter de stelling opgeeft, beide kuiten weer naar de uitgangshouding laat glijden en de voorhand van het paard weer naar de lijn leidt waarop dat moment wordt gereden. Net als de inleiding moet ook de afsluiting soepel en zonder veel gebruik van handen verlopen. Problemen met takt-schwungverlies kan men het beste het hoofd bieden met een lichte verhoging in de tempo. Als dat niet voldoende is, moet men weer een paar meter recht vooruit rijden en opnieuw inzetten. Als het schouder-buitenwaarts op de rechte lijn lukt dan kan men het ook op gebogen lijnen zoals in de hoeken of op een grote volte rijden. Dit betekent echter dat de ruiter in staat moet zijn om de achterhand van het paard heel nauwkeurig op de lijn te houden.