Home » Leerzame feiten! » Dressuur » Appuyement

Appuyement

Voorwaarts-zijwaartse beweging lang een denkbeeldige diagonale lijn, waarbij het paard zich, in de bewegingsrichting gesteld en gebogen, parallel aan de lange zijde voorbeweegt en de voorhand iets voor de achterhand

Zo moet het eruit zien

Een appyument ziet er opzich uit als een travers, met als enige verschil dat het paard zich niet langs de hoefslag beweegt, maar langs een diagonaal. Daardoor zijn appuyementen variabel. Ze kunnen worden gereden als enkelvoudige hele appuyment, maar ook als halve, dubbele halve , dubbele hele of als ---> zigzag appyument.
De enkelvoudige hele appuyementen voeren van de ene lange zijde diagonaal door de ring naar de tegenoverliggende lange zijde, de halve appuyement alleen van de middenlijn naar de hoefslagof van de hoefslag af naar de middenlijn. Dubbele appuyementen ( halve of hele ) voeren weer terug naar de uitgangshoefslag. Bij de zigzagappuyementen wordt er na een voorgeschreven aantal meter of sprongen veranderd van richting. Hoe scherper een appuyement moet zijn, dus hoe meer het zijwaarts moet worden gereden, hoe meer lengtebuiging noodzakelijk is en hoe hoger de moeilijkheidsgraag ligt. Appuyementen kunnen gereden worden in stap, draf en galop en in de eerste plaats verzameld tempo. Om schwungverlies te voorkomen, kan het tempo af en toe even worden verhoofd tot arbeidstempo.
Alle appuyementen moeten soepel, sierlijk en vloeien naar voren worden gereden, waarbij de voor - en achterbenen van het paard zo ver mogelijk opzij moeten stappen en elkaar moeten kruisen. Het paard is in het appuyement naar binnen gesteld en om de binnenkuit gebogen. Het beweegt zich parallel aan de lange zijde, waarbij zijn voorhand altijd iets vooruit moet gaan. Een appuyement is pas afgelopen als de voor- en achterhand zich weer op de hoefslag lijn bevinden.

Kenmerken

Vaardigheden

Oefening voor gevorderde en zeer gevorderde ruiters, te rijden tijdens de arbeidsfase, traint laterale beweeglijkheid en draagkracht.

- Takt                           - Ontspanning
- Aanleuning              - Schwung
- Recht richten           - Verzameling

Doel van de oefening

Appuyement gymnatiseren het paard in zijn lengteas, stimuleren de zijwaartse beweeglijkheid van de schouder en heupgewrichten en verbeteren de gewichtsopname van de achterhand. Een appuyement is zowel een verzamelde als een verzamelende oefening, dat wil zeggen, het traint en verbetert het verzamelingsvermogen. Bovendien zijn appuyementen een goede test voor de ruiterinvloed, omdat ze zeer gevoelig 'reageren' op zitfouten.

De meest gemaakte fouten

Niet voldoende parallelliteit, achterhand voor, weinig (nauwelijks) lengtenbuigingen, taktverlies, tampoverlies, niet soepel, onder de ruiter uit lopend, weinig candans, haperend, te veel zijwaarts en te weinig voorwaarts, verkeerd gesteld en tegen de hand, niet van letter tot letter, verkeerde gewichtsverplaatsing van de ruiter (ruiter zit naar binnen)

De juiste hulpen om fouten te voorkomen

Om een appuyement goed te beginnen, is het belangrijk direct de voorhand te laten leiden, om de veelgemaakte fout 'achterhand voor' te voorkomen. Daarom moet de ruiter proberen iedere appuyementverplaatsing in gedachten te beginnen vanuit een ---> schouder-binnenwaarts of ---> Schoudervoor. Daartoe wordt het paard eerst in de bewegingsrichting gesteld en een stap, pas of sprong in schouder-binnenwaarts gereden. Daarna legt de ruiter zijn buitenkuit verder achter de singel, verplaats zijn gewicht naar de binnenzitbeenknobbel en drijft met de binnenkuit op de singel voorwaarts en met de buitenkuit zijwaarts.

De inleiding is gelukt als het binnenvoorbeen van het paard als eerste voorwaarts-zijwaarts gaat in de bewegingsrichting en de 'rest' van het paard dit been volgt. Met de binnenteugel wordt daarbij de stelling vastgehouden, de buitenste geeft iets mee en maakt het mogelijk dat de buitenste spieren van de hals en romp rekken. Zodra het paard de stelling heeft aangenomen, moet de binnenste ruiterhand weer zacht worden (teugel meegeven) om het vooruit stappen vanuit de schouder en het achterbeen niet te blokkeren.
Deze schouder-binnenwaartseachtige inleiding van een appuyement moet de ruiter ook bij iedere verandering van richting binnen de appuyementverplaatsing in het achterhoofd houden om hem zonder fouten soepel te laten slagen.

Daarom wordt het bij iedere verandering van richting heel kort rechtgericht en dan een moment, net als bij de schouder-binnenwaarts in de nieuwe bewegingsrichting gesteld voordat de zijwaartse drijvende kuit de achterhand weer bijtrekt. Het korte moment van recht richten en om stellen moet de ruiter gebruiken om zijn zit in te stellen op de nieuwe begingsrichting.
Hij moet nu dus het andere zitbeen meer belasten, de tot dan toe buiten kuit die nieuwe binnenste maken de teugelhulpen ook 'omdraaien' Deze opeenstapeling van hulpen lukt alleen ervaren ruiters, omdat hier veel coördinatie en gevoel voor beweging nodig is. Om die reden woden zigzag-appuyementen - vaak wisselen van link naar rechts binnen een appuyementverplaatsing - pas vereist bij hogere proeven, namelijk in perfectie, dat wil zeggen in galop met vliegende wissels bij iedere verandering van richting,
zelfs pas vanaf intermediair I I - niveau. Enkelvoudige en dubbele halve appuyemeneten worden vereist vanaf de laatste basisklassen. Maar ook hier is de soepele en vloeiende beweging binnen het appuyement het belangrijkste.

De oefening  wordt beëindigd als de ruiter stelling, buigen en zijwaarts drijvende hulpen zo lang recht houdt dat het paard weer 'helemaal', dus ook met zijn achterhand, op de afsluitende hoefslag is/ Pas dan wordt het paard weer rechtgericht en naar voren gereden.

 

Appuyement als gymnastiek,

Volgens Olypisch teamkampioen, vijfvoudig Duits kampioen van de beroepsruiters, ritmeester : Hubertus Schmidt,
'Voor mij is een appuyement een zeer goede oefening. Hiemee kan men heel goed werken aan de lengtebuiging, die op zijn beurt een voorwaarde is voor soepele gelijkmatige appuyementen. Met appuyementen kan men een paard ook goed leren contact te nemen op de buitenteugel. Ter voorbereiding leer ik een paard eerst een basis oefening aan en deze combineer ik, schouder-binnenwaarts - volte - schouder-binnenwaarts.
Als dit eenmaal goed lukt, ga ik over op appuyementen. Deze moeten in het begin vlak worden gereden, zodat takt en schwung in ieder geval behouden blijven. Pas als het paard ze goed en vloeiend beheerst, mag men beginnen met steilere appuyemnten. Zodra hierbij echter problemen optreden, moet men direcht weer een stap terug doen en ze opnieuw vlak rijden.  Alleen zo kan men bereiken dat het paard ook in steilere appuyementen de schwung behoudt en expressief opzij stapt. Steile appuyementen train ik vrij zelden, meestal alleen een of twee dagen voor een wedstrijd. Men moet sowieso trainen van afzonderlijke oefeningen niet overdrijven. In de dagelijkse training moeten, afhangelijk van het paard, twee of vijf appuyementen op iedere hand voldoende zijn, tijdens de leerfase eventueel wat meer. Door te fanatiek trainen gaat een oefing vaak alleen maar slechter.'