Home » Leerzame feiten! » Dressuur » Aangalopperen

Aangaloperen

De overgang vanuit stilstand of vanuit stap of draf naar galop.

Zo moet het eruit zien

Het aangalopperen moet met gelijkblijvende en rustige aanleuning, gesloten en spontaan, dus meteen na de hulp van de ruiter gebeuren en direct leiden tot de duidelijke drietakt van een mooie galopsprong op de gevraagde hand. Daarbij moet het paard rechtgericht blijven op de lijn waarop het zich bevindt.

Hoe? Heel eenvoudig:
Het aangalopperen op een rechte lijn, dus op de korte op lange zijde van de ring, gebeurt met een lichte binnenstelling zonder ---> lentebuiging ; het aangalopperen op een gebogen lijn, zoals een cirkel, of in een hoek , in een lentebuiging die past bij de cirkellijn.
Recht richten betekent immers niet dat het paard zo recht is als een plank, maar dat het zijn achterhoeven precies in of op de sporen van zijn voorhoeven zet en niet uitwijkt naar de zijkant, dus ook bij het aangalopperen direcht en recht onder zijn zwaartepunt aanspringt.

Kenmerken

Vaardigheden

- Basisoefening
- Training van de coördinatie

- Takt                                    - Recht richten
- Ontspanning                     - Verzameling
- Aanleuning
- Schwung

Doel van de oefening

Het aangalopperen is in de eerste plaats een doel op zich, in dit geval om van een andere gang over te gaan in galop. Als neveneffect kan men hiermee echter de aanleuning en ontspanning van een paard te verbeteren.

De meest gemaakte fouten

Aangalopperen lukt pas na meerdere pogingen;  verkeerd aangalopperen (in plaats van linkergalop in de rechtergalop en andersom); tegen de hand; strak in de hals ; op de voorhand ; via draf ( bij aangaloperen vanuit de stap) met te hoog kruis; scheef ; tegen de kuit ; uitslaan ( bij te veel gebruik van sporen) : naar voren vallen van de ruiter (Verkeerd meebewegen vanuit het bovenlichaam)

De juiste hulpen, fouten vermijden

De hulpen bij het aangalopperen zijn in principe gelijk of men nu vanuit stilstaan, stap of draf overgaat in galop. Het verschil zit meer in de moeilijkheidsgraad. Aangalopperen vanuit stiltaan en ook vanuit stap vereist al een bepaalde mate van verzameling en meer rechtrichtheid,, omdat in dat vanuit een rustige toestand respectievelijk een rustige beweging moet worden gewisseld naar een krachtige gang.
Dit vereist meer kracht vanuit de achterhand en een goede coördinatie bij paard en ruiter.

 

Het aangalopperen zelf gaat als volgt:
De ruiter stelt het paard iets naar binnen, maakt hem attent met een halve ophouden aan de buitenteugel, je legt gelijktijdig zijn buitenbeen opvangend achter de zingel, geeft met de binnenkuit in combinatie met het vooruitchuivende van zijn heupen een actieve kuithulp in de vorm van een korte dringende duw en geeft met de binnenhand een beetje mee op het moment dat het paard reageert en wil aanspringen.
Vooral dat laatste is belangrijk, want een paard begint een galop met het binnenachterbeen.
Dat wil zeggen, dit achterbeen komt verder naar voren en draagt eventjes het gewicht van het paard, voorwaarde voor de wisseling va het ene ritme naar een ander.
Als een ruiter dit blokkeert met een te vaste binnenhand, dan kan het paard niet correct aangalopperen.

Paarden met een wat steviger aanleuning 'nemen' in zo'n geval door het naar voren stoten van het hoofd vaak zelf die teugelvrijheid. Paarden met een vrij losse aanleuning, knikken juist hun hoofd dieper achter de loodlijn om zo de benodigde teugelvrijheid te krijgen.

Om een vloeiend en te allen tijde opeisbaar aangalopperen te bereiken, is dus een correct samenspel van kuit, hand en gewicht/kruis van de ruiter enorm belangrijk, zoals overigens bij bijna alle andere oefening.

Tot dit correcte samenspel behoort ook de gelijkmatige inzet van de kuit - en gewichtshulpen bij het aangalopperen. Zo mag niet geduwd worden met de ondersteunende buitenkuiten, omdat het paard dit zal opvatten als zijwaarts drijvende hulp en dan ook met de achterhand zal uitwijken. De buitenkuit moet vrij losjes tegen het paard liggen en vangt, terwijl de binnenkuit de impuls geeft, hoogtens het uitwijken van het paard naar buiten op.


Het veelvoorkomende 'verkeerde' aangalopperen is vak het vervolg van een ongeconcentreerde ruiter, die niet denkt aan de fijne afstemming van alle benodigde hulpen. Vaak ligt er echter ook nog gebrekkige rechtgerichtheid van het paard aan ten grondslag. In dat geval helpt het om het aangalopperen eerst uit te werken op gebogenlijnen, ofwel de hoeken of op de cirkel of aan het eind van een volte. Omdat daarbij, tenminste als de wending goed gereden worden, het binnenachterbeen van het paard al wat meer onder het zwaartepunt zit en ook de buiging en stelling al zijn bepaald, is het dan voor de meeste paarden gemakkelijker de juiste galop te vinden.
En omdat het rijden op gebogen lijnen zoals bekend het recht richten stimuleert, is het meestal een kwestie van tijd tot het aangalopperen op een rechte lijn zonder problemen functioneert.

Vrij nutteloos is het meebewegen van de ruiter met zijn bovenlichaam om het paard in galop te brengen, zoals vaak te zien is. De ruiter kan nog  zo mooi meebewegen, zijn paard zal daar echter geen schwung aangeven. Integendeel. Op het moment dat de ruiter naar voren valt, onylast hij zijn zit en geeft hij, samen met de halve ophouding en een kuit die naar achteren beweegt, een bijna volledige achterwaartse hulp.
Omdat zijn binnenkuit echter gelijktijdig naar voren drijft, ontstaat bij het paard als reactie op zijn ruiterlijke bewegingen slecht onbegrip en verwarring.
Wat moet de viervoeter nu doen? Voorwaarts galopperen of naar achteren stappen? Een hulp moet dus altijd heel duidelijk zijn om tijdends de opleiding van zowel ruiter als paard, onzichtbaar en effectief te kunnen werken.